Peilbeheer
Het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer van het oppervlaktewater. Met meer dan 1000 gemalen, stuwen en overlaten regelt het waterschap dagelijks dat er voldoende water van de gewenste kwaliteit op het juiste moment beschikbaar is. De peilbeheerders van het waterschap werken vanuit de districtskantoren en hebben als taak zoveel mogelijk de afgesproken waterpeilen te realiseren.
Peilbeheer, een waterschapstaak
Peilbesluiten en streefpeilen
In de lagere delen van het waterschap zijn de peilen wettelijk vastgelegd in peilbesluiten. Deze peilbesluiten zijn door de Provincie Overijssel goedgekeurd. In de hogere delen van het waterschap gelden streefpeilen. Hier proberen de peilbeheerders de gewenste peilen te realiseren. Echter hebben zij hier meer dan in de lagere delen te maken met natuurlijke beperkingen van gebiedseigenschappen zoals bodemopbouw en hoogteligging.
Gemalen, stuwen en overlaten
Met diverse kunstwerken regelt de peilbeheerder het waterpeil. In perioden met veel neerslag ontstaat er over het algemeen een overschot aan water. Dit overtollige water wordt afgevoerd uit het gebied naar buitenwater zoals de rivieren de Vecht en de IJssel en de randmeren rondom de IJsseldelta.
In een droge periode, met weinig neerslag en veel verdamping ontstaat er over het algemeen een tekort aan water. Dit tekort kan in een groot deel van het waterschap worden gecompenseerd met het aanvoeren van water uit de Vecht en de IJssel. In een gemiddeld jaar voert het waterschap ongeveer 100 dagen per jaar water aan en voert het 260 dagen per jaar water af. In de laag gelegen polders is er minder wateraanvoer dan in de hogere delen van het waterschap.
Grondwater
Het peilbeheer in het oppervlaktewater is vooral gericht op het instellen van de gewenste grondwaterstanden en het voorkomen van overlast. Afhankelijk van het grondgebruik, bijvoorbeeld grasland, akkerbouw, natuur of verstedelijking stemt het waterschap de waterpeilen hierop af. In het waterschap is met name sprake van grasland en stedelijk gebied. Landelijk zijn normen vastgesteld voor wateroverlast. Voor bijvoorbeeld grasland geldt dat de 5% laagst gelegen gebieden ééns per tien jaar kunnen overstromen.
Vasthouden, bergen, afvoeren
Na de hoogwaterperioden in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Rijksoverheid het Waterbeleid 21e Eeuw ingevoerd. Dit beleid heeft voor het peilbeheer in het waterschap geleid tot aanpassingen ten opzichte van het tot dan toe gevoerde peilbeheer. De grootste verandering is dat de peilbeheerder in situaties met veel neerslag probeert de wateroverlast zoveel mogelijk te verdelen over het gebied door water langer vast te houden in plaats van het zo snel mogelijk afvoeren. Het vasthouden gebeurt enerzijds door de waterlopen minder diep te maken en anderzijds door de capaciteit van gemalen, stuwen en overlaten af te stemmen op de waterafvoercapaciteit van een gebied. Deze werkwijze heeft tevens als voordeel dat in droge perioden het watertekort beperkt wordt en dat de aanvoer van water met mindere kwaliteit uit IJssel en Vecht beperkt kan worden. Ook de onderhoudsinspanning kan dan in droge periode in sommige gevallen lager zijn.

Onderhoudsbeelden
Wanneer de peilbeheerder merkt dat de gewenste grondwaterstanden en de daarvoor benodigde peilen in de waterlopen niet meer gehaald kunnen worden is het vaak tijd voor onderhoud. Jaarlijks worden de belangrijkste waterlopen in het waterschap, de hoofdwatergangen, gemiddeld 2 maal per jaar door het waterschap of in opdracht van het waterschap gemaaid. Minder vaak, gemiddeld ééns in de 10 jaar worden deze op diepte gebracht door te baggeren. De mate van onderhoud is vertaald naar onderhoudsbeelden (pdf) .











